 |
 |
 |
| |
Ineens gebeurt het. In de auto, nota bene. Ik zie de auto’s langs ons heen razen en ik voel lichtelijk paniek in mijn onderbuik. Mijn man heeft nergens last van, ik wel. Ik voel een soort duizeling in mijn hoofd op komen. Ik zet de radio wat harder en probeer mee te zingen, maar ik ben de tekst kwijt. Nu gaat de muziek me irriteren, dus ik zet alles maar meteen uit.
De dood komt stil, niet als deze auto’s, het leven raast voorbij, niet de dood. De dood komt langzaam en onverwachts.
Ik tel tot tien en probeer rustig te ademen. Sluit mijn ogen en voel weer angst. Wanneer ik iemand verlies in dit leven, komt dat gevoel steeds, en met ieder jaar, met ieder overlijden wordt het erger. Ik moet nog zoveel. Ik moet leven. Ik moet.
Het hart stopt met kloppen. De tijd gaat over, vergetelheid, daar verlies ik van. Daar verlies ik in. Het is mijn brein dat uiteindelijk jouw gezicht zal vergeten. Dat besef heb ik. Dat is wezenlijk.
De auto staat geparkeerd. We lopen over de dauw die het groene gras vult. Onkruid hier en daar. Dat is het enige dat nooit vergaat. We pakken elkaars hand. We spreken niet, maar communiceren in gedachten. Het is vandaag een dag van de dood.
Bruine ogen kijken me aan, in mijn hoofd, daar ben je nog even. Je stem klinkt nu al anders. Ik kan je niet aanraken, ik kan je niet ruiken, niet voelen. Je bent weg. Je verliet de koude aarde met één zucht.
Mijn zwarte jas bedekt iedere trilling van mijn lijf. Nog een paar stappen. Nog een paar stappen tot ik je hard op gedag zal zeggen. Zachtjes miezert het tranen. Ik heb ooit gehoord dat als je sterft op een dag met regen, dat je dood een goede was. Dat je niet geleden hebt. Dat het een vredige dood was. Maar ik vind er geen rust in. Ik weet dat je hebt geleden, iedere seconde voordat de dood zijn vonnis voltrok.
De wind lijkt te gillen, mijn hart breekt in duizend stukken als zij me verteld hoe je de liefde uitsprak voor het leven. Maar ik was er niet. Ik was niet bij jou en zelfs de wind kan in al haar geschreeuw dat niet kenbaar maken aan de stukjes gebroken leven dat ik vast hou. Als comateus hou ik het leven vast, zonder besef. En ik ben kwaad. Aangedaan. Voor even compleet vergaan in het verdriet dat ik voel.
De dood als een mooie dag. Ik gun het je, mijn lief. Ik gun je het beste, daar waar je ook bent. En ik hoop dat je nog eens aan me denkt. Het stukje leven dat je achter liet. Morgen zal ik je leven vieren, maar vandaag betreur ik je dood alsof ik zelf een stukje gestorven ben.
Vriend, ik mis je zo...
©AliasP
 |
Tja. Het is een vreemd relaas. Het is in ieder geval meer dan vreemd te noemen, dat één enkele ziel, zich kan inbeelden, hoe het had kúnnen gaan.
Er zijn tenslotte genoeg zielen die het zich zouden kunnen inbeelden én vertellen, of schrijven.
Iedere ziel, hoogstwaarschijnlijk dan, één eigen verhaal – hopen we. Uniek. Daar gaan we dan maar van uit.
Tja.
Als alles anders was gegaan. Dan zou ik, of jij, of iemand anders, tóch dit verhaal kunnen vertellen. Zouden we het dan nog steeds een uniek verhaal noemen? En als dat zo was, waarom ook niet. Al geld het voor duizenden, het verhaal gaat over één. En die is uniek.
Laten we luisteren, mijn vriend, laten we luisteren.
Als alles anders was gegaan...
Laten we het eind nemen van de laatste akte van zijn vorig leven. Zijn Vorig Leven. Zo heet deze laatste akte, en het is tevens het begin van dit proloog, weet je nog.
Een uniek nieuw verhaal.
Maar eerst nog even terug naar die laatste akte.
Als het een theaterstuk zou zijn, zaten wij, jij de bezoeker, en ik de verteller, vlakbij het podium waar het stuk zich zou afspelen.
Het publiek zou nu mijn stem horen, terwijl ik links, in een donker hoekje, onzichtbaar zou zijn op wat schaduwen en het geluid van mijn stem na. Het publiek, dat waar jij deel van zou uitmaken, zou ik toespreken. En kijkend naar het podium zou jij hem zien. Je zou hem zien tijdens de laatste akte van Zijn Vorig Leven.
Je zou mij iets horen zeggen, kijkend naar hem.
Plots verdwijnt het licht dat op hem schijnt.
Een-en-twintig.
Twee-en-twintig.
En applaus.
Nu begint echt het proloog. Het nieuwe verhaal.
Het donker omringt hem.
Op een afstand is het net zo donker.
Hij zat zojuist op zijn knieën.
Maar we zien hem opstaan.
Hij loopt, terwijl we applaudisseren, van het podium.
Hij komt niet meer terug. Geen buiging.
Geen bloemen te ontvangen van het publiek.
Alleen ik zie hem nog.
Ik zie hem steeds sneller lopen.
Achter de coulissen, langs vreemde mensen, langs de kleedruimtes.
Hij rent richting de nooduitgang.
Plots staat hij buiten.
Ik zie hem nog steeds, terwijl het applaus langzaam weg ebt.
Jij ziet hem niet.
Wat een zonde. Hij is prachtig in het straat licht.
Mijn ogen blijven hem volgen, terwijl je het theater, net zoals de rest van het publiek, zult gaan verlaten.
Wellicht praat je nog wat na met 'n drankje, in de bar. Misschien moet je terug lopen, om je jas, die je bijna vergat, te halen bij de drukke garderobe.
Het einde van dat verhaal. Het begin van een nieuw verhaal.
Nu is het begin van het proloog verteld.
Als alles anders was gegaan, had hij zo hard gerend, door de stad, door de straten, langs het station.
Tot hij aan zou komen bij een groot meer.
Daar zou hij stoppen met rennen.
Daar zou hij zonder twijfel het water induiken.
Zonder twijfel.
Als alles anders was gegaan.
©AliasP
Dag lieve kinderen.
Drink met mij. Koffie of neem wat ijs.
De ijssalon is geopend in Duisburg.
Ik rook mijn sigaret en jij lacht naar een hond die voor bij komt.
Dan plots, een ballon, en aan het touwtje van die ballon een hand van een kind.
Het is een meisje.
Een blond kind met een vrolijk snoetje. In zekere zin is ze als jij. Zoals jij ooit.
In Duisburg drinken we. Koffie en ijs. Laten we zo nog wat wandelen.
Wist je dat ik een zak met kaarsen bij me draag?
Stel nu eens dat ik zou zeggen dat ik een kaars zou kunnen branden voor jou.
En voor jou.
En ook voor jou.
Ik zou ze branden voor jullie drieën en ook nog 18 anderen.
In Duisburg, vlakbij het spoor, bij de Duitse Italiaanse ijssalon drinken we cappuccino.
Koffie.
En eten we ijs.
Dag lieve kinderen.
Beste Mevr. Van der Sloot,
Een paar dagen geleden zag ik, tijdens een reclameblok van RTL4, dat u die avond exclusief te zien zou zijn op de genoemde zender.
Ik zag alvast een klein stukje, terwijl ik fanatiek in mijn Hello Kitty huispak, aan het fietsen was op mijn hometrainer.
Ik kan u zeggen dat dit een dagelijks beeld is voor mijn man bijvoorbeeld, die geaccepteerd heeft dat ik tijdens het eerste deel van de dag even geobsedeerd met fietsen en andere sporten ben, als met eten, de overige delen van de dag.
Gebruikelijk sport ik met de televisie aan, dus ik heb uw zoon veelvuldig voorbij zien komen, de laatste tijd.
Die ochtend zag ik u en ik moest meteen denken aan wat ik mijn man zei, enkele dagen hiervoor. Ik zei hem dat ik u een hart onder de riem wilde steken. Ik zei hem dat ik met u te doen had.
Ik overwoog serieus een kaartje te kopen, te schrijven en op te sturen. Maar toen ik besefte dat ik geen idee had waar het naartoe te sturen, vervloog het idee alweer. Totdat ik u die zekere ochtend zag, tijdens het reclameblok van RTL4. Toen overviel me een gevoel van schaamte. Plaatsvervangende schaamte. Wat kun je tenslotte sturen aan een moeder die alles verloren heeft? Het zou te ludiek zijn. En ludiek past niet in dit verhaal. In uw verhaal.
Misschien wat vreemd om te noemen, maar toen ik uw gezicht zo op t.v. zag viel het zo ontzettend op hoezeer u uw zoon's moeder bent. Uw zoon lijkt veel op u. Ik had al eerder artikelen gelezen waarbij ook foto's afgebeeld stonden van uw overleden man, en de gelijkenis met Joran was groot. Maar in u zie ik uw kind. U ziet het vast ook. Cru te zeggen; nu vast vele malen minder, maar ik heb het niet over uw inborst of Joran's inborst. Van beiden ken ik die niet.
Het doet u vast zeer, dat iemand als ik, een vreemde, al zoveel gezien heeft. Dingen die niet leuk zijn en voor u hartverscheurend.
Ik dwaal wat af, Mevr. van der Sloot. Wat ik eigenlijk wil zeggen... Tja. Laat ik het dan maar zeggen.
Die ochtend zag ik u. Met het zweet op mijn hoofd dacht ik aan een veer. Zo'n zwarte veer die men tegenkomt langs het water, soms in het bos.
Een zwarte kleine veer, die opgetild wordt door de wind. En als je dan aanschouwer bent van de dans die de veer en de wind maken, dan voel je, proef je, ruik je een vleugje van iets dat je had. Vroeger. Alsof je het gezicht van je eigen moeder weer ziet. Vroeger. Toen ze jong was en een baby kreeg. En die baby was een jongen. Men zei, terwijl ze zich langs het bed van de moeder voegden, en de moeder de jongen tegen haar borst hield, dat hij haar blik had, haar neusje.
Uw blik. Uw neusje.
En u lachte.
Ik hoop dat die veer uw kant op danst. En ik hoop dat iemand u vast houdt.
Dat had ik u willen zeggen met dat kaartje. Maar ziet u, het was misplaatst geweest.
Dus daarom hoop ik dat de wind u de veer laat zien.
En ik hoop dat u het ziet. En echt kijkt. Met opgeheven hoofd, hoe hard u ook zou kunnen huilen. Hoe hard dan ook.
Met vriendelijke groet,
Een vreemde.
Als jij een kamer was...
Voor M, een ware Angel
De kamer, die jij bent -als ik mijn fantasie zo weet te gebruiken dat ik dit vermogen bezitten zou– is onbeperkt, werkelijk onbeperkt, wanneer ik de kamer binnen zou stappen en ik zo naar boven kijken zou.
He, het lukt, blijkbaar is dit vermogen dat ik klaarblijkelijk bezit, niet vreemd. Ik besef dat ik heel even mag “spieken”, alsof je even bij de buren mag kijken. Nu ik de deur in het vizier heb, zie ik je muren goed, korte meters op elkaar. Smal in de breedte, ongrijpbaar in de lengte. Zo hoog als de hemel, zover kun je gaan, maar hier op het aardse heb je je lijnen getrokken. Ik begrijp en betreur. Want ik ken je. En ik weet dat je je vleugels wel verdient hebt, zoals engelen uiteindelijk allen behoren te ontvangen.
Maar die deur trekt steeds weer mijn aandacht. Ik herken haar, en haar waarschuwing. Betreden mag wellicht, maar geheel op eigen risico. Als hier een hond zou leven, zou een vreemde de plek niet betreden maar hard doorlopen. Tot blijkt dat die, eens, bloedhond, eigenlijk een pup blijkt te zijn. Maar dat laat maar niemand weten, hoor ik je bijna hardop denken.
Je hebt ontelbare sloten, je kunt uren bezig zijn de deur zo dicht te maken dat zelfs zuurstof de hoop opgeeft of bang is om de kamer binnen te komen. Ik voel de korte rilling en besef waarom dit hier soms heerst. Je bent als een ruimte waar zoveel is gebeurd. Het echoot na. Ook de kilte. En soms stormt het, alsof je niet meer in Kansas bent. Tornado raast. Het klimaat waarin schijn gelijk staat aam realiteit. En toch blijf je overeind, hoe hard het ook blazen zou. Gelukkig is er altijd een manier je weg terug te vinden, en de manieren die je dan vindt zijn uniek en soms sprookjesachtig. Dat is ook wat je bezit en niemand je afneemt. Het vermogen te kunnen, want dat blijft altijd over. Er zijn er niet veel, al beweren ze anders, een engel herken ik. Laat je nooit anders wijsmaken, met of zonder vleugels; er is niets dat je niet kunt.
De kamer. Er zijn ook dagen dat de deur wagenwijd open staat. Toch moet ik je bekennen dat ik niet precies weet wanneer de deur echt gesloten is of helemaal open, je hebt zoveel manieren gevonden jezelf te beschermen of het tegendeel: te isoleren van geluk. Het blijft moeilijk te herkennen, de waarheid is altijd anders, en ligt nooit in het midden. Dat is niet je schuld of fout, daar is geen sprake van. De dingen zijn nu eenmaal wat ze zijn. Als ik mezelf al verlies, weet jij dan ook jezelf te vinden, of is alles wartaal wat ik zeg? Ach, wat zeg ik? Je weet het wel. Hoe trots ik op je ben en van je hou, helemaal precies zoals jij bent, en niemand anders.
Wanneer ik binnen mag komen zijn de muren altijd van dezelfde maten, en de hemel is altijd te bewonderen. Een plafond is niet nodig, jouw draken bewaken het luchtruim, en je dromen zijn er veilig. De draken tonen moed en vriendschap, ik vrees ze niet. Ze leerden me opnieuw te kijken, opnieuw het leven te omarmen.
Soms is de kamer zo licht als liefde, en soms zijn de muren angstaanjagend, hysterisch ogend beklad met donkere kleuren die een indruk geven van wat geweest is. Ik zie heus wat je eens verloor. Maar ik zag ook wat je hervond in de as, het vuur na smeulend. Jij vond hoop.
Ik heb dagen gekend waar je muren tot leven kwamen en takken vol orchideeën liet zien, met hun wortels gefundeerd van binnen, ook daar leef je, ook daar ben je. Het is nooit leeg in de kamer, al zou je geen ziel ontdekken. Er is altijd een feest te bedenken, een angst te verstoppen, een schande te verdoezelen. Lief, schaam je niet, verstop maar niet, blijf lachen. Stralen.
Het ruikt naar rozen, al schreeuw je soms dat je gek wordt van de geur. Jij ruikt niet altijd rozen hier, soms heb je de neus van een hond die onveiligheid detecteert. Ik begrijp. I(k betreur. Maar zo is het.
Een bed zet je zelden neer, hooguit wat kussens en kaarsen op de grond, om je aan te branden, om mee te spelen, of je te verbazen om alles en niets.
Wat je ook doet, in deze magische kamer, die jij bent; om de zoveel tijd kijk je naar boven en spuwt een van de draken vuurwerk, zoals jij in je hoofd bedenkt en binnen de werkelijke wereld een waar schouwspel wordt. En dan is het er. Omdat het kan. Als er niets is, is er niets over en geloof ik niet dat er nog iets komt. Laat er nog wat zijn, ook later over jaren, dat we oud zijn. Blijf wie je bent, want het is zeker niet slecht.
Een ander zou bang zijn. Maar jij lacht. Want een draak is een engel. En alle orchideeën bloeien nu zelfs in je haar. Mooi.
Ik zeg het gewoon.
Mooi.
De kamer die jij bent is niet beperkt aan tijd, zelfs niet aan de uitgezette lijnen, die je bedenken moest. Het is de vloek en de zegen van een meisje, nu jij deze vrouw, die in de hemel huist en zweeft, dwarrelt, fladdert en zoekt naar wat ooit was en nooit meer is. Zo nu en dan kom je naar deze wereld. Altijd vol levenslust. Altijd op het juiste moment, en soms red je mij, zo terloops. Je weet het niet. Niet bewust. Maar soms red je me.
Als je maar weet dat wat belangrijk is, over gebleven is en ik koester het in jou. Ik koester dat mooie dat blijven mocht.
– Dankjewel dat ik je ken, en je een voorbeeld bent, voor mij en velen. Hou je sterk en je weet dat ik er sta, voor jou –
|
|
|
|
|